Het komt niet zo heel vaak voor dat een slachtoffer niet is vermoord op de plaats waar zijn of haar lichaam wordt gevonden.
Het komt nog minder vaak voor dat een lijk in stukken wordt gehakt en de lichaamsdelen op diverse plaatsen worden gedumpt of begraven.
Niet vaak.
Maar het komt voor.
‘Ik rook ineens een afschuwelijke stank,’ verklaarde de 22-jarige Rob K. op kamer 119 van de Moordbrigade op een regenachtige dag in juni 1982.
‘Toen ik ging kijken waar die lucht vandaan kwam zag ik tussen de bosjes een vuilniszak liggen. Ik maakte hem open maar kon niet goed zien wat er in zat. Met een tak roerde ik in de zak rond en zag plotseling iets dat op mensenhanden leek.’
Verpakt in een exemplaar van De Courant Nieuws van de Dag van 2 juni.
K. woonde in West en had de gewoonte flinke wandelingen te maken, ook als het regende zoals op die 22ste juni.
Hij liep van West naar Oost, naar de Kramatweg. Daar woonde een vriend van hem.
Omdat die niet thuis was gooide hij een briefje door de bus en liep door naar het nabijgelegen Flevopark. In dat park ligt een oude joodse begraafplaats, in de volksmond Joden Manussie geheten.
Daar deed hij de gruwelijke vondst.
Een dag later - 23 juni 1982 - deed de ME tijdens een zoekactie in het park nog een lugubere vondst.
Bovendien herinnerde men zich bij de Moordbrigade dat op 8 juni de rijkspolitie te water de vondst had gemeld van een linkeronderbeen in het water van het Amsterdam-Rijnkanaal, niet ver van het Flevopark.
De Technische Recherche zag kans van de handen vingerafdrukken te maken, dus als het slachtoffer met zijn ‘vingers’ geregistreerd stond zou identificatie mogelijk zijn.
Men had geluk: de laatste, aan de politie bekende daad van de dode man was de diefstal van de tas van een prostituee.
Het slachtoffer was de 24-jarige Paulino Humberto Stefano Jubitana, sinds oktober 1981 woonachtig Kramatweg 4.
Jubitana woonde daar op kamers, voor 300 gulden per maand. Hij had gereageerd op de advertentie die de 38-jarige hoofdbewoner en boekhouder Gerard K. in De Telegraaf had geplaatst.
Toen rechercheurs daar op 24 juni 's middags aanbelden, bleek Gerard K. niet thuis.
Tegen half zes die avond waren zij nog steeds in de woning aanwezig toen Rob K. de straat kwam binnenlopen, de 22-jarige wandelaar die twee dagen eerder een deel van Jubitana had gevonden.
K. stopte bij nummer 4 en belde aan. Even later keek hij recht in de ogen van enkele verbaasde rechercheurs...
Want: dezelfde man die op een regenachtige dag in het Flevopark een zak met de stoffelijke resten van een mens vindt, belt twee dagen later aan bij de woning waar het slachtoffer een kamer had!
Toeval? Wie gelooft dat...
's Mans verklaring was dat hij twee dagen eerder een briefje door de brievenbus van het huis van zijn vriend Gerard K. de boekhouder had gegooid omdat deze niet thuis was.
En nu wilde kijken of hij wel thuis was.
Toeval, daar geloven ze wel in bij de Moordbrigade. Maar niet in zoveel toeval.
K. werd gearresteerd en onder de lamp gezet.
Maar hij ontkende.
De politie ging ondertussen verder met het onderzoek in de kamer van Jubitana. Ze had onder de bank al een stukje bot gevonden.
En nu vond ze bloed aan de onderkant van de houten vloer.
K. bekende toen maar.
Dat wil zeggen: K. de boekhouder annex kamerverhuurder, niet Rob K. de wandelaar.
Het was wel degelijk stom toeval dat Rob K. én de vuilniszak in het Flevopark had gevonden én twee dagen later de Kramatweg was ingelopen op weg naar zijn vriend Gerard K., de boekhouder annex kamerverhuurder.
Gerard K. had ruzie met Jubitana gekregen, en op woensdagavond 2 juni was de bom gebarsten. Ze gingen met elkaar op de vuist.
Nadat K. zijn opponent tegen het hoofd had geschopt, bleef het slachtoffer liggen.
Dood.
Hoe van het lijk af te komen, dat was vervolgens de vraag.
K. kocht gereedschap en een nieuwe pan en toog aan het werk. Als zoon van een slager kon hij dit wel aan.
Sterker: hij had ooit als uitbener gewerkt.
Het lijk hakte hij in stukken, hoofd en handen stopte hij in de nieuwe, grote pan met water en draaide het vuur hoog.
Na verloop van tijd kon hij het vlees makkelijk van de botten verwijderen. Zo probeerde hij het onmogelijk te maken het slachtoffer te identificeren.
In twee keer ontdeed hij zich van de stoffelijke resten. De eerste vuilniszak dumpte hij in het Amsterdam-Rijnkanaal, de tweede in het Flevopark.
Maar de vingerafdrukken van Jubitana waren dus nog afneembaar.
Gerard K. kreeg twee jaar, waarbij de rechter er rekening mee hield dat Jubitana geen aangename huurder was. En aan de drugs bovendien.
De straf was kort genoeg om zijn woning te kunnen aanhouden. Hij bleef er tot zijn dood wonen.
De pan waarin het hoofd en de handen waren gekookt, had K. overigens op straat gezet. Een half uur later was die verdwenen…
Iemand moet daar een heel sterke bouillon in hebben getrokken.


